Anekdotes

Home / Anekdotes

BIJNAMEN

Op de wallen had iedereen een bijnaam, zo had je Anne kwartje, die zat op de Zeedijk 25. Frits van de Wereld was eigenaar van de kroeg’de wereld’.

Veel bijnamen waren natuurlijk op het uiterlijk geïnspireerd; Blonde Greet, Schele Riek, Rooie Sien, Magere Josje of Vette Anne.

Met bepaalde uiterlijke kenmerken of eigenschappen; Joop de Mop, manke Nelis, Toontje 1 arm, Joep de Tassenknipper, Vieze Loesie, Potlood Nek, Koekies hoer, Schubbe Kutje en Hammond orgel.

Sien Stront deed het wel eens in haar broek als zij teveel gedronken had en Greet stil, als iemand aan haar vroeg hoe de zaken gingen antwoordde ze altijd met ‘stil’.

Parijse Leen was wel eens in Parijs geweest, zwarte Lola was de eerste Surinaamse hoer.

Wil de Paardekop? Wil had een logement in de Olofssteeg en het schijnt dat er een paardenkop aan de gevel hing, het kan ook goed zijn dat wil weer eens aan het bakkeleien was en voor paardekop werd uitgemaakt.

Wil de Bokser..Willem kwam een cafe binnen en liet een foto van een bokser zien met zijn hoofd erop geplakt, prompt kreeg ie meteen een knal voor zijn kanis. Het enige wat Wil gemept heeft was hoogstwaarschijnlijk een vlieg. De bijnaam behield ie wel.

DOKTER GROOTHUYSE

In het weekblad HP/De Tijd vertelt de legendarische prostituee Blonde Mien in 1991 over de Wallendokter: “Groothuis, natuurlijk ken ik die, ’t was een vriend van me. Je kon altijd bij hem aanbellen. Het was daar een soort trefpunt. Ik weet nog op een zaterdagmiddag, ik had een klant, hij lag al boven op me, maar hij was nog niet zover. Blijkbaar van de opwinding werd hij onwel. Hij wil een pilletje nemen, ik wil hem wat water geven, maar dat was net te laat: dood dus. Op het veld van eer gestorven, zeg maar. Nou daar sta je dan. Bep de Knoeister van hiernaast zegt: laten we Groothuis halen. Die moest lachen om die dooie. ‘Hij zei: Het zal hem niet goed zijn bekomen.’” Als je hem riep terwijl er niks aan de hand was, kon je een schop onder je hol krijgen, gaat ze verder. Maar hij was niet moeilijk met het verstrekken van pilletjes en poedertjes. Miens wettige echtgenoot Haring Arie vertelt in hetzelfde artikel dat hij hem altijd ‘de tientjesdokter’ noemde. “Joetjes, daar had-ie altijd een hele kluit van op zak. Het was altijd meteen contant betalen.”
Soms werd er ook gebruik gemaakt van andere betaalmiddelen. Zijn dochter herinnert zich een dame die met een klein kindje kwam dat een prikje nodig had. “Die vrouw durfde dat kind niet zelf vast te houden. Ik werd naar beneden geroepen en moest dat kind vasthouden. Na afloop mocht ik een gouden  ring uitzoeken die ze bij zich had in een dot kranten. Waarschijnlijk gejat.”

De arts die bekend stond onder bijnamen als de druipertjesdokter, de lullendokter of de hoerendokter, was een veilige toevluchtshaven voor alles wat afweek van de norm. Je hoefde ook niet op de Wallen te wonen om bij hem terecht te kunnen. Als je maar cash geld meenam, want daar hield hij van. Hoe verknocht Groothuyse ook was aan de buurt, het werd hem toch geregeld teveel. Dan vluchtte hij. Met name de klokken van de Oude Kerk maakten hem gek. “Ik ben wel ’es van plan geweest er een bom in te gooien. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds 11 uur, elk kwartier dat rotwijsje, het maakt je volkomen gek”, zei hij tegen Bibeb. Altijd had hij oordoppen onder handbereik en één ruimte in huis was zo geïsoleerd dat er geen geluid van buiten doordrong.
Als hij echt wilde ontsnappen, vluchtte hij naar zijn tuinhuisje op Nieuw Vredelust aan de Buitensingel. Hij ging er meer heen om rustig te kunnen slapen, dan om zich te ontspannen.
Maar hét middel om te ontsnappen aan de drukte van de stad, vond hij eerst in een bootje in Durgerdam, later in een omgebouwde VW-bus. Hij ging er vaak mee op pad en zocht dan ergens midden in een bos of langs een rivierdijk de rust die hij op het Oudekerksplein zo miste.

Groothuyse woonde op het Oudekerksplein 50 en maakte in december 1983 een eind aan zijn leven.

(bron; Ons Amsterdam)

JOEP DE FLUITER, BUREAU WARMOESSTRAAT

Mijn eerste ronde over de wallen was op een maandag, 1965.
Het was 8.30 uur ’s ochtends en wat mij opviel was dat de hele buurt vol met auto’s stond. Overal werd geparkeerd, geladen en gelost, daarachter stonden ze dan weer te wachten. Het was een grote file, en het stonk er naar verschraald bier en pies.
Het stikte er ook van de kleine bedrijven, in de Bloedstraat kon je tanken, op de Achterburgwal zat een schroothandel, aquariumfabriek en sloperijen. Reuring genoeg.

Mooie types had je in die tijd, dat zie je nu niet meer. Mien Vet bijvoorbeeld was een woekeraarster, voor elke gulden een kwartje rente. Haar kleinzoon is nu eigenaar van de Bulldog. Geld had in deze buurt een heel andere betekenis dan in de rest van de wereld. Morgen was er toch opnieuw weer geld. Als je niet naar Mien wilde, dan kon je naar de bank van lening in de Nes. Een bankrekening had men niet.
Er werd veel gelachen. Op de Zeedijk bijvoorbeeld in de kroeg van Parijse Leen, de Violetta. Als Leen dronken was wilde ze naar Parijs maar ze is er nooit gekomen. Violetta was voor de lesbiennes, Leen was dat ook. maar ze was ook hoer. Lesbiennes waren een beetje buiten de maatschappij gesteld, dus samen met travestieten kwam je ze hier veel tegen.

Op de kop van de Zeedijk zat links, naast de Olofskapel, café de Wereld(nu;Kletskop) van Fritsie. Frits was een bekende penose. Frits haalde in de jaren 60 kippenvoer, zoals hij zei, uit Libanon. Dat was dus de eerste hasjhandel. Frits kende ik nog van Veenhuizen (gevangenis). Op het toppunt van zijn rijkdom had hij drie panden in de bocht van de Zeedijk. (Frits vd Wereld woonde waar nu het hofje van Wijs zit, 43) Uiteindelijk kreeg hij een belastingaanslag van 3 miljoen. Frits was geen beroerde vent, hij wilde best iemand helpen als dat nodig was. Over het algemeen waren het allemaal komedianten. Iedereen kende elkaar, er werd een partijtje geroddeld, daar werd je huiverig van! En overdrijven dat ze konden! Als er gisteravond eentje in de gracht was gesodemieterd, dan waren er overmorgen 3 verzopen.

Bron; De Wallen in de jaren 60

HARING ARIE

Het was knap koud toen we op een zaterdagavond in november ergens op visite zouden gaan. een paar dagen ervoor had ik in de Spuistraat een hondje gekocht voor vijf gulden. Een leuk vuilnisbakkie, ik noemde hem Teddie. Loeloe had een bloedhekel aan dat speelse ding, ik hield die 2 dus goed in de gaten want Loeloe was soms vals.

We kleden ons aan en ik zou nog even de hond uitlaten voor de deur. Het was een uur of acht en pikdonker. Ik sta daar zo met mijn hond toen er een klein meisje huilend naar me toe kwam rennen. ‘m’n zussie, m’n zussie’. riep ze en ze wees bevend naar de Brouwersgracht. Ik liep er naar toe en zag alleen maar luchtbelletjes, verder niks.

Ik liet mijn hondje los en vergat alles Ik zag alleen die belletjes op het water en dook erin. En ja hoor, ik voelde het kind en trok haar snel naar boven. Het was een meisje van een jaar of vijf, ze was bewusteloos. Ik zwom met haar naar de kant waar een stelletje mensen versuft stonden te kijken. Niemand stak een jat uit om me te helpen en de wal was wel twee meter hoog. ‘help me dan toch godverdomme’ brulde ik en pas toen werden ze wakker. Het kind werd ergens binnengebracht. ik kroop op de wal en dacht meteen weer aan m’n hondje. Maar een buurvrouw had zich over hem ontfermd.

Snel ging ik naar boven. Die meid stond al helemaal aangekleed om weg te gaan. Ze wist niet wat er gebeurt was en keek raar op toen ze me zo nat zag. Maar toen ze hoorde wat er gebeurt was hielp ze me vlug met uitkleden, ze droogde me helemaal af tot ik gloeide.

We gingen die avond gewoon weg. In de taxi vond ik nog twee geeltjes, die ik in m’n zak stopte. ‘Dat is een beloning van onze lieve heer,’ zei ik. De volgende dag kwam de gelukkige vader me bedanken. Het was een arm schoenmakertje die me van alles wilde geven, maar hij had niks. Ik wilde trouwens ook niks, maar we moesten en zouden schoenen bij hem laten repareren. ook moest ik een paar pakjes shag van die arme flikker aanpakken. Er was alleen een probleem, ik had geen schoenen om te repareren. Van arre moede heb ik toen maar in een paar nieuwe schoenen flinke gaten gemaakt.

Jaren later zag ik dat meisje dat ik uit het water had gehaald terug op het Rembrandtplein in een café. Ze speelde de hoer. Ze gaf me een borreltje voor de mazzel. We spraken er niet meer over. Ik moest er wel om lachen.

Wat een wereld. Wat een mensen. Wat een moraal.

Bron; Haring Arie

BLAKA LOLA

Blaka Lola was de werknaam van Nicolien Sant. In de jaren twintig werd het jonge weeskind Lientje door een zendelingengezin als kindermeisje uit Suriname meegenomen naar Nederland. Het gezin behandelde haar slecht; ze sliep in een hok, buiten het huis van de familie. Toen de zonen van het gezin groter werden, werd Nicolien beschouwd als een bedreiging voor de zedelijkheid en op straat gezet.

Nog voor de Tweede Wereldoorlog belandde Nicolien noodgedwongen in de Amsterdamse raamprostitutie, waar ze bekend werd als Zwarte Lola. Hoewel ze nogal gezet was en een hazenlip had zorgde haar exotische uitstraling ervoor dat mensen uit alle hoeken van Nederland naar haar kwamen kijken. Nicolien ontwikkelde zich tot een rijke onafhankelijke vrouw, die accentloos Nederlands sprak.

Slechts weinig mensen hebben beide kanten van deze bijzondere vrouw gekend; ze hield werk en privé strikt gescheiden:. Als Tante Lien was ze bekend en geliefd in de Nederlandse Surinaamse gemeenschap in Nederland. Met haar werk als de tropische Lola kon ze zelfs tijdens de Hongerwinter velen in haar omgeving een bordje eten toeschuiven. ‘Men wist wel wat ze deed, maar er werd niet over gesproken’.

In de jaren tachtig ging ‘Tante Lien’terug naar Suriname waar ze in Huize Albertina haar laatste jaren sleet. In 1990 overleed ze aan diabetes. Haar laatste rustplaats heeft nooit een grafsteen gekregen. Wijdenbosch wil alsnog zorgen dat die er komt, als een eerbetoon aan een markante vrouw. ‘En een plaquette in de Amsterdamse Stoofsteeg bij Lola’s raam, met alleen haar echte naam erop: Mevrouw C. Geesink-Sant. We moeten alleen eerst uitvinden welk raam het is, want door alle geheimzinnigheid weet niemand dat meer.’

Bron; Historisch Nieuwsblad

ZWARTE JOOP, KONING VAN DE WALLEN

Het leven van Joop de Vries is een verhaal over een ruwe bolster,blanke pit. Hij bouwt een voor Amsterdamse begrippen mega seks- en gokimperium op, maar blijft de penozejongen die maar al te graag bij de gerespecteerde Amsterdamse zakenmannen wil horen. Maup Caransa, Freddy Heineken, Loe Lap, ze gaan graag met Joop om, maar een vertrouweling wordt hij nooit. Aan zijn imperium komt in 1983 door brandstichting een gruwelijk einde. De brand, maar vooral de dertien dodelijke slachtoffers, komt hij nooit meer te boven. Volgens zijn ex-vriendin Avril is Joop “de veertiende dode.” Maurits de Vries wordt in 1935 in Utrecht geboren. Tijdens de bezetting zit hij ondergedoken op een boerderij in Friesland. Zijn ‘te joods’ klinkende naam Maurits wordt door de boerin veranderd in Joop. Wanneer gevaar dreigt verstoppen ze de kleine jongen in een keukenkastje. Urenlang zit ie er alleen opgesloten. Na de oorlog volgt geen school of studie, Joop wil geld verdienen en snel ook. Hij begint als prijsbokser op de kermis. Voor vijf gulden slaat ie avond aan avond zijn knokkels kapot. Het vechten wordt een hobby. Of zoals zijn bodyguard Chris Dolman tegen ons zegt: “Hij kon goed uit de voeten op straat.” Op een dag neemt Joop het in zijn eentje op tegen een grote groep kerels. Hij overleeft de knokpartij nauwelijks, zijn rug is een landschap van messteken. De dokter zet 106 hechtingen in het zwaar gehavende lijf. Begin jaren zestig vestigt hij Zwarte Joop naam als ondernemer op de Amsterdamse Wallen. Joop wordt eigenaar van de beroemde jazzclub de Casablanca. De zaak loopt als een trein, het geld stroomt binnen. Hij koopt dure auto’s, sierraden en een speedboot. De prijsvechter gaat in die dagen als een zakenman over straat, altijd keurig gekleed in Italiaanse maatpakken. Populair is ie ook, in zijn appartement boven de Casablanca ontvangt ie kleurrijke figuren als Rijk de Gooijer, Marijke Morley (cabaretière) en de fotograaf-stuntman Ab Pruis. De flirt met artiesten leidt er zelfs toe dat zijn kroeg wordt gebruikt als decor voor de Italiaanse speelfilm; a Regazza in Vetrina. Met in de hoofdrol de in die jaren legendarische acteur Lino Ventura. Behalve in de horeca weet Joop ook op andere wijze veel geld te verdienen. Tegen woekerrentes -een kwartje op een gulden heet dat op de Wallen- kan iedereen bij Joop een lening afsluiten. Het is wel aan te raden volgens afspraak terug te betalen, de incasso kan vrij hardhandig zijn. Joop is in deze tijd getrouwd met Margot, ze is bedrijfsleider van de Casablanca en in de paktijk de drijvende kracht achter de jazzclub. In 1964 strandt het huwelijk en neemt Margot de zaak over. Nog datzelfde jaar verschijnt een interview met Joop in de Televizer, een populair weekblad. Joop zet een poeslief beeld van zichzelf neer, maar stelt zijn buurt genadeloos aan de kaak. Het wordt hem niet in dank afgenomen. Maar ook buiten de Wallen groeit het aantal vijanden. Aan boord van een boot in het Noord Hollandse Muiden loopt een handgemeen uit de klauwen. Er wordt geschoten en er valt een zwaar gewonde. Het wordt Joop te heet onder de voeten, hij besluit te vluchten. Samen met zijn nieuwe vriendin, en latere vrouw, stapt hij aan boord van zijn zeiljacht en verdwijnt. Gedurende anderhalf jaar zeilen ze langs tientallen havens rond de Middellandse Zee. Op de Wallen gaat al gauw het gerucht dat ie dood is. Op een avond hoort Joop via radio Scheveningen zelfs dat zijn lichaam dood is gevonden in de gracht.

Na anderhalf jaar durft Joop het aan terug te keren. Vrienden verzekeren hem dat de Nederlandse kust veilig is. In 1969 opent ie op de Oudezijds Achterburgwal de Casa Rosso, een seksclub. En opnieuw maakt ‘koning Midas’ zijn naam waar. Dankzij de seksuele revolutie is de tijd rijp voor iets nieuws: real fucky fucky, live seks op een podium. De term wordt wereldwijd een begrip, Joop is de bedenker. Of het legaal is blijft onduidelijk, de overheid weet eigenlijk niet zo goed wat ze met Joop en zijn sekspaleis aanmoet. Ondertussen heeft Joop één ding goed in zijn hoofd geprent: wees goed voor de buurt, want wie geliefd is wordt niet snel verlinkt. En zo krijgen de Wallen een eigen reinigingsdienst en bewaren de klerenkasten van Joop’s ordedienst de rust op de gracht. Wie met massabezoek geld wil verdienen moet de omgeving schoon en veilig houden, zo redeneert ie. Het werkt, bussen vol toeristen komen en gaan. Amerikanen, Belgen, Japanners, massaal tellen ze 25 gulden neer voor een half uurtje live seks. De liveshow is een gat in de markt, en het geld stroomt binnen. Joop betaalt zijn personeel goed, het is dus geen wonder dat iedereen zich loyaal opstelt aan de baas. Joop is Koning van De Wallen, al valt er wel eens een klap. Joop verdient zijn geld met ‘victimless crime’,zoals dat heet. De biljartkeu is zijn zwaarste wapen, want zo zegt Joop: “een kogel kun je niet terug koppen.”

De zaken lopen gesmeerd. In de jaren ’70 wordt het seksimperium uitgebreid met een casino. De gracht van Joop trekt zelfs de aandacht van Italiaans/Amerikaanse maffia. Joop ontmoet Dino Celini, een van de grootste gokbazen uit de VS. De mannen raken bevriend en Celini besluit vele miljoenen te investeren in het imperium aan de Oudezijds Achterburgwal. Het is voor het eerst dat de maffia interesse toont en actief is in Nederland. Politie en Justitie hebben hun handen vol aan de steeds beter georganiseerde drugshandel, het seks- en gokpaleis van Joop laten ze lange tijd links liggen. Dat zelfs de maffia actief is op de wallen weten maar weinigen bij de politie. Pas in 1983 grijpt de overheid in en start een offensief tegen Joop’ illegale gokhuizen en casino’s. De Cabala, maar vooral de protserige Club26 zijn een doorn in het oog. Het is illegaal en dus moet de boel dicht. Joop denkt nog steeds dat ie, net als met de Casa Rosso, wel wegkomt met zijn illegale gokhuizen. Maar de zaken zijn te groot geworden, te openlijk provocatief. Op 13 april 1983 valt de ME bij Joop binnen. En ook de FIOD is naar hem op jacht. Er blijkt voor een vermogen aan zwart geld in de bedrijven te zitten. De belastingdienst legt een achterstallige aanslag op: 42 miljoen gulden. De rechter veroordeeld Zwarte Joop wegens belastingontduiking en valsheid in geschrifte. Hij krijgt een gevangenisstraf, maar advocaat Max Moskowicz slaagt erin hem buiten de cel te houden.  Opnieuw besluit Joop te vertrekken, met zijn vriendin Avril verhuist hij naar Zwitserland. In deze periode begint Joop de greep op zijn zaken te verliezen. Hij staat er te ver vanaf, het is de opmaat naar de definitieve ondergang van Joop en zijn imperium.

Wanneer Casa Rosso medewerker Joseph Lan ruzie krijgt met de bedrijfsleider wordt ie ontslagen. Lan zweert wraak. Op 16 december 1983 komt ie terug, gewapend met een jerrycan benzine en een revolver loopt ie de zaak binnen. Tussen de honderden niets vermoedende gasten sprenkelt Lan de brandstof in het rond en schiet de boel aan. De oude grachtenpanden staan in korte tijd in lichter laaie. Er vallen 13 doden. Joop is er kapot van. Volgens ex-vriendin Avrill is hij in 48 uur tijd 10 jaar ouder geworden. De materiële schade loopt in de miljoenen. Op de plaats van de brand herrijst geen gokpaleis of sekshuis meer, van Joop mag er nooit meer plezier gemaakt worden. Op de puinhopen worden huizen gebouwd. Zwarte Joop wordt nooit meer dezelfde. Hij probeert nog wel iets nieuws, met steun van zijn zakenvrienden Caransa en Kroonenberg begint hij aan het Thorbeckeplein de Pink Elephant. Maar veel succes heeft Joop niet met deze nachtclub. Steeds vaker trekt hij zich terug in zijn huis aan de Vinkeveense plassen. Daar overlijdt hij op 13 juli 1983 aan een hersenbloeding, 51 jaar oud. Met de dood van Joop sterft de laatste echte penozekoning.

Bron; Camilliri.nl